Toerisme 14 | Edwin Fagel

We wandelden naar het haventje van Saint Brieuc en ik zag ons ineens wonen in een van de huisjes langs de route. Zoals het kleine meisje dat ik eerder deze week op het strand zag, ze sprong pratend tegen haar vader van het ene op het andere been, rende toen het water in, langs Suzanne, die zwanger in de branding stond, ze leek een verschijning, een voorafschaduwing van onze dochter, zo zag ik haar in de tuin van zo’n huisje staan. Ze is er al bij, onze dochter, als we naar het haventje van Saint Brieuc wandelen, over het marktje, langs de rotskust naar de vuurtorens, ze hoort onze gesprekken al, de gesprekken waarin we steeds zekerder worden van de naam die we haar zullen geven.

*
‘Life tends to come and go’, zingen The Smiths. De echo deed me denken aan mijn opa in zijn laatste dagen. Zoals ze omhoog lag te kijken.

 

CAM01389

 

 

 

 

Toerisme 12 | Edwin Fagel

*
Een realistisch soort surrealisme, of eerder misschien symbolisme, dat is volgens mij wat kunst in de kern is. Het impressionisme is me uiteindelijk te kalm, te verinnerlijkt, te veel gericht op wat de waarneming in dat innerlijk doet. De kunst werd pas echt interessant toen het innerlijk het uitgangspunt werd en dat werd geprojecteerd op de waarneming. Dat levert altijd een wildere kunst op. De waarneming, en dus de werkelijkheid, verandert erdoor.

*
‘We wilden niet alleen een goed album maken, we wilden een revolutie ontketenen’. Iets dergelijks zeiden de Beastie Boys over hun Paul’s Boutique (in de documentaire ‘Soundbreaking’). Ze bedoelden volgens mij niet zozeer een muzikale, maar een maatschappelijke revolutie. Een kunst die een revolutie beoogt doet misschien het tegenovergestelde van bidden. Het is niet de mens die zich tot het hogere richt, maar het hogere richt zich tot de mens. Het is de kunstenaar die de werkelijkheid, althans de werkelijkheid zoals hij die waarneemt, zijn wil oplegt. Nee, het is een ‘hogere’ werkelijkheid die de kunstenaar die de werkelijkheid zijn wil oplegt de wil oplegt.

 

alphonse osbert vision

Alphonse Osbert: Vision (1892). Musée d’Orsay, Parijs

Toerisme 11 | Gilles Boeuf

Dat je ‘hier’ bent en tegelijkertijd ‘daar’ geldt op allerlei manieren voor wat ik in Toerisme beschrijf. Ik lig- gevallen- op een berg en denk aan de stad waar ik woon.
Ik maak een foto van mijzelf, het is al vaak gezegd- je bent het en kijkt toch met enige afstand naar zo’n foto. Als ik naar mijn eigen arm kijk, ervaar ik hetzelfde: afstand en nabijheid- tegelijkertijd.

 

selfversie2

Toerisme 10 | Edwin Fagel

*

De zee is soms grijs, soms groen, soms blauw. De verschillende manieren waarop je ‘bonjour’ kunt zeggen; zoals het telkens hetzelfde en telkens iets anders betekent.

*

De zee is als onderwerp verdwenen uit de beeldende kunst, volgens mij. Zoals het licht is verdwenen uit de poëzie.

*

Wat zocht Turner, toen hij het licht boven de zee schilderde? Wat zocht Monet bij het schilderen van de weerspiegeling, de echo van de wilgen in de vijver van zijn tuin? Wat zocht Courbet?

*

Het eist gezegd te worden, door degene die zich ‘ik’ noemt. In een hier en in een nu dat door dezelfde ‘ik’ wordt bepaald. Het eist een verlangen te zijn. De gebeurtenis zoekt het subject, een luik in de taal naar de werkelijkheid.

 

aporeia10

Toerisme 9 | Gilles Boeuf

In 1959 schreef Paul Celan het Gesprek in de bergen.

Twee mannen wandelen in de bergen en hebben een gesprek met elkaar. Paul Celan schreef later over deze proza tekst dat het de weg beschrijft en de omwegen van ‘mij’ naar ‘mij’. Dat is het onderwerp tussen deze mannen: een weg van het ‘men’ naar het ‘ik’ in de taal. Celan schreef in een andere tekst dat ieder gedicht deze omweg van ‘mij’ naar ‘mij’ is.
In het Gesprek in de bergen zegt de ene man tegen de andere:
‘Je zou kunnen zeggen maar dat moet je niet doen, dat het de taal is die hier gesproken wordt, het groen met het wit erin, een taal niet voor jou en niet voor mij.’
Ik ben geïntrigeerd door ‘een taal niet voor jou en niet voor mij’. Celan noemt het zwijgen van het landschap ook een taal.
Ieder gedicht is voor mij een ontdekking van de relatie tussen de taal van het landschap en het ‘ik’ dat steeds andere omwegen voltrekt om weer bij ‘ik’ te komen. Ik vraag mij af of het landschap juist datgene is dat die voltrekking dimensies geeft, een oriëntatie. Ook een ander komt op je toe vanuit een richting. Wanneer ik hier in de verte een ander de berg af zie dalen, zie ik tegelijkertijd de kracht van de omringende rotsen.toesime9